basketbal academy
NL / EN

Woorden die we delen

Begrippen

De twee vragen

Waar? vanaf X10
Waar wel — en waar niet. Stoppen, driven, dribbelen, passen, schieten, contact, stappen.
Wanneer? vanaf X10
Wanneer wel — en wanneer niet. Loslaten, follow through, stoppen, schieten, passen, snijden.

Filosofie & clubtaal

Every day better than yesterday vanaf X8
Ons motto: elke dag een beetje beter.
Next Best Action (NBA) vanaf X10
Altijd denken: wat is NÚ de beste volgende actie?

Ruimte & schot

De vloer is lava vanaf X10
Antwoord op Waar: niet stoppen of stilstaan in de midrange. Schieten mag, als het een goed schot is.
Goed schot vanaf U12
Gevangen in balans, kracht uit de benen, lang afgemaakt, binnen je range, zonder contest. Anders: door naar de smiley, passen of opnieuw opzetten.
Range vanaf U12
Antwoord op Waar: de verste afstand waarvan je met goede techniek consistent raakt.
Spacing vanaf U12
Spelers verspreiden zodat er ruimte ontstaat.
Gaps vanaf U12
Open ruimtes tussen verdedigers om in te drijven.
1-tegen-0,9 vanaf U12
Na een drive ben je één-tegen-één, maar met een klein voordeel in tijd of ruimte. Dan ga je naar de basket. Zonder dat voordeel is een schot een worp.

Stops, fakes & eerste stap

Goede stop vanaf X10
Jump stop of stride stop bij élke vangst en finish.
4 threat vanaf U12
Met balans de bal pakken en klaar zijn om te schieten, driven, dribbelen of passen.
Shot fake vanaf U12
Nepschot vanuit de stop — de verdediger moet hem geloven.
Jab step vanaf U12
Korte teststap, open of cross, om de verdediger te laten kiezen.
First step vanaf U12
De eerste stap langs de verdediger, in één beweging vanuit de stop.
Ball rip vanaf X14
De bal snel van hoog naar laag of laag naar hoog trekken.

Het raamwerk

Laag
Een niveau, geen leeftijd. 0 bewust · 1 controle · 2 je eigen beweging sturen · 3 anderen laten bewegen. De leeftijd is alleen een hint.
Tijd en ruimte
De hoofdvaardigheid: tijd en ruimte sturen, van jezelf, de bal, je teamgenoten en je tegenstanders.
Fundament
Iets wat overgaat naar de wedstrijd: op verzoek, met een doel, onder druk, contact en weinig tijd, en je weet wanneer wel en wanneer niet. Een chest pass of gewone lay-up is een vorm, nog geen fundament.
Ontdekken en benutten
Ruimte om te proberen en momenten om te gebruiken wat werkt. Wanneer en hoe een technische grens komt, beslist de coach, en die legt uit waarom.
Aanleren · leren · competitie
Hoe je een blok coacht. Aanleren: kort, precies, hooguit 10 minuten. Leren: variatie, vragen, keuze. Competitie: intensiteit, een telling, weinig stilleggen. Een oefening is niet vanzelf één van de drie.

Spel & keuzes

De tweede cut vanaf U12
De eerste cut na een pass werkt bijna nooit: hij komt van één pass weg. De tweede cut, van twee passes weg, is de echte dreiging.
Aanvallen is niet egoïstisch vanaf X10
Naar de ring gaan en ruimte maken voor een goed schot is niet egoïstisch. De bal zonder reden of doel doorspelen wel.
Voordeel vanaf X10
Aanval: maken, zien, afstraffen. Verdediging: zien aankomen, niet weggeven, herstellen.

Lijf & contact

Contact vanaf X10
Legaal maken, vasthouden en loslaten wanneer jij wilt, aan beide kanten van de bal. Vanaf het begin, stap voor stap: van veilig vallen tot contact gebruiken voor balans en ruimte.
Balans begint in je oren vanaf X10
Een balansspel is altijd een goed begin van een training. Wie veilig kan vallen, durft te gaan.

Principes

Waar?

De eerste van de twee vragen. Elke actie op de vloer is een plek-beslissing, en bij elke beslissing hoort ook het omgekeerde: níet doen is net zo goed een keuze. Leer spelers de vraag stellen vóór de actie, niet erna.

Lees verder9
  • Waar wel stoppen — en waar niet
  • Waar wel driven — en waar niet
  • Waar wel dribbelen — en waar niet
  • Waar wel passen vandaan — en waar niet
  • Waar wel schieten vandaan — en waar niet
  • Waar wel contact zoeken of maken — en waar niet
  • Waar wel stappen — en waar niet
  • Waar wel staan zonder bal — en waar niet
  • Waar wel naartoe rennen zonder bal — en waar niet

Wanneer?

De tweede vraag. Dezelfde actie op dezelfde plek is goed of fout, afhankelijk van het moment. Timing is geen detail van de techniek — het is de helft van de beslissing.

Lees verder8
  • Wanneer de bal loslaten — en wanneer nog niet
  • Wanneer de follow through laten zien
  • Wanneer wel stoppen — en wanneer doorbewegen
  • Wanneer wel schieten — en wanneer niet
  • Wanneer wel passen — en wanneer vasthouden
  • Wanneer wel snijden — en wanneer wachten
  • Wanneer wel versnellen — en wanneer vertragen
  • Wanneer de hoek vullen — en wanneer blijven staan

Rennen zonder bal

De zuiverste teamactie die er is. Een speler die naar de hoek sprint terwijl hij wéét dat de bal niet komt, heeft het spel begrepen. Het is tegelijk tactisch (spacing), fysiek (conditie) én mentaal (team eerst) — en dáárom hoort het niet in één dimensie thuis. Wij scoren het in alle drie.

Lees verder6
  • Ren naar de hoek — ook als je de bal niet krijgt. Je neemt een verdediger mee en opent de drive voor iemand anders.
  • Snijden is geen versiering. Na élke pass volgt een beweging.
  • Stilstaan is de duurste fout in het jeugdbasketbal: hij kost twee spelers tegelijk — jou én degene met de bal.
  • Bij U12 was dit ons hele spacingdoel: iedereen rent, altijd, ook zonder beloning.
  • Meet het. Hoe vaak per aanval rent een speler een hoek in? Tel het één training per periode.
  • Benoem het hardop. Wat je benoemt, gebeurt vaker — vooral het werk dat niemand anders ziet.

Twee antwoorden die vastliggen

Alles in dit plan is een antwoord op Waar of Wanneer. Deze twee leggen we clubbreed vast, in élke leeftijdsgroep, omdat ze het vaakst misgaan.

Lees verder6
  • Waar níet stoppen: de vloer is lava. Niet stoppen of stilstaan in de midrange, met of zonder bal. Geen dode dribbel daar, en zonder bal parkeer je er niet. Sta buiten met goede spacing, of blijf doorgaan naar de smiley en de ring. Schieten vanuit de midrange mag, als het een goed schot is. Coachtaal: niet stoppen in de lava.
  • Een goed schot, geen worp op goed geluk. Gevangen in balans, kracht uit benen en heupen, lang afgemaakt (zo hoog mogelijk reiken, gewrichten open, follow-through blijft staan), binnen je range en zonder contest. Ontbreekt er een, ga dan door: naar de smiley, passen of opnieuw opzetten. De bal zomaar op de ring gooien is geen optie.
  • Waar níet vandaan schieten — buiten je range. Je range is de verste afstand waarvan je met correcte techniek schiet zónder te forceren, en consistent raakt.
  • Range bepalen: begin op 1 m, stap telkens een halve meter terug. Grens = waar de vorm breekt of je onder 4 van de 10 zakt. Schrijf die afstand op.
  • Range is persoonlijk en verandert. Meet opnieuw elke periode, en zeker na een groeispurt.
  • Range groeit door kracht en techniek — niet door verder proberen.

Uitgangspunten

Basketbal is een voetensport

Meer een voetensport dan een handensport. Bijna alles wat misgaat met de bal begint bij de voeten. Voetenwerk is geen onderdeel van de training - het is de onderlaag van elk ander onderdeel.

Lees verder6
  • Landen en afremmen voor alles. Wie niet kan stoppen, kan niet kiezen.
  • Zijwaartse verplaatsing en spiegelen: de aanvaller volgen zonder te kruisen.
  • Hoeken zijn voetenwerk. De hoek van een drive, de hoek van een closeout, de hoek waaronder je een pass aanneemt.
  • Gewrichtsbewustzijn: weten wat enkel, knie en heup doen, en ze bewust kunnen gebruiken.
  • Heupmobiliteit is geen extraatje. Zonder heup gaat de rug of de knie het werk doen.
  • Weten hoe je valt hoort erbij. Vallen, rollen, opstaan - veilig en zonder aarzeling.

18 van de 20 minuten

Als iedereen even lang speelt, heeft een speler de bal ongeveer een twintigste van de tijd. Dat is twee minuten met bal en achttien minuten zonder. Toch trainen we vaak alsof het omgekeerd is. Het off-ball spel is niet een aanvulling - het is verreweg het grootste deel van het spel.

Lees verder6
  • Ren naar de hoek, ook als de bal niet komt. Je neemt een verdediger mee.
  • Kijk over het veld. Kop omhoog, met en zonder bal, tot het comfortabel voelt.
  • Weten wie waar staat en waar de lege ruimte is - dat is een trainbare vaardigheid.
  • Rebound is een gewoonte, geen taak van de lange. Iedereen gaat.
  • Paint touch, smiley stop, kick-out, bal terugdraaien: strongside en weakside leren zien.
  • Off-ball hoort bij het eerste wat we leren, niet bij het laatste.

Vangen

De meest onderschatte en ondergetrainde vaardigheid in het basketbal. Een slechte vangst maakt elke volgende beslissing slechter, hoe goed de speler ook is. We trainen het als een hoofdvak, niet als opwarmertje.

Lees verder5
  • Handen klaar voordat de bal komt. Altijd.
  • Vangen en stoppen, vangen en dribbelen, vangen en passen, vangen en scoren - vier aparte vaardigheden.
  • Vangen in beweging, onder druk, uit de hoek van je oog.
  • Follow through hoort ook bij de pass en bij de dribbel, niet alleen bij het schot.
  • Contact maken en contact opvangen - legaal en veilig - hoort bij het vangen.

Van 1-tegen-0 naar 5-tegen-5

Alles wordt in dezelfde volgorde opgebouwd, aanval en verdediging allebei. Eerst zonder tegenstander, dan met, dan met meer spelers, dan in ondertal. Sla je een trede over, dan train je iets wat de speler nog niet kan dragen.

Lees verder6
  • 1-tegen-0, 1-tegen-1, 2-tegen-1, 2-tegen-2, 3-tegen-2, 3-tegen-3 - en zo verder.
  • 1-tegen-1 is het grootste onderdeel van het spel. Vanaf jonge leeftijd, ook met mismatch.
  • Ondertal traint besluitvorming sneller dan overtal. 4-tegen-5 hoort erbij.
  • Geen fancy moves. Fakes en fundamentals: hesitatie, pocket dribble, verschillende eerste stappen, verschillende timing, verschillende hoeken.
  • Balbescherming met de dribbel en na de gather - between the legs, behind the back, in-and-out, spin - als bescherming, niet als show.
  • Screens komen pas als timing en spacing er zijn. Het screen zelf is het makkelijke deel.

De plezierformule

Plezier is geen sfeer, het is een ontwerp. Deze zes knoppen bepalen of een training leuk is, en je kunt ze allemaal vooraf instellen. Loopt een training stroef, kijk dan welke knop uitstaat.

Lees verder6
  • Balans tussen nieuw en vertrouwd - iets herkenbaars, iets wat nog niet lukt.
  • Competitie - een score, een tegenstander, iets om te winnen.
  • Uitdaging - net boven het huidige niveau, niet erboven.
  • Altijd in beweging - geen rijen, geen wachttijd.
  • Zoveel mogelijk balcontacten per speler.
  • Zoveel mogelijk scoren erin verwerkt.

Hoe we coachen

De manier van uitleggen bepaalt hoeveel er blijft hangen. Wij halen dingen uit het lichaam van de speler en leggen ze buiten hem neer - met referentiepunten op de vloer, op de ring, bij een tegenstander. Wat je buiten jezelf kunt aanwijzen, kun je onthouden.

Lees verder5
  • Extern referentiepunt boven interne instructie: naar de ring wijzen werkt beter dan pols uitleggen.
  • Bewustzijn en kennis geven, maar ze niet laten verdrinken in informatie.
  • Het plezier van leren is te trainen. Laat ze merken dat ze beter worden - benoem de vooruitgang, niet alleen de uitkomst.
  • Conflicten oplossen hoort bij het vak. Tussen spelers, met ouders, met jezelf na een verloren wedstrijd.
  • Warming-up is trainingstijd, ook voor de wedstrijd. Die vijftien minuten zijn geen opwarmertje maar leertijd.