Het raamwerk als puzzel
Leg de stukken naast elkaar
Vier stukken maken één plaatje: wanneer (periode), wie (laag), wat je oplost (probleem) en hoe je coacht (modus). Kies ze, en zie wat erbij past.
PeriodeP1 · Transitie & fullcourt
2 · laag
ProbleemVoordeel
4 · modus
1 Periode
2 Laag
3 Probleem dat je oplost
4 Hoe je het coacht
Kies een periode en een laag: dan zie je waar de puzzel over gaat. We lossen “voordeel” op.
Stukken die passen
Ondertal: 4-tegen-3
Voordeel maken, zien en afstraffen; in ondertal vertragen en herstellenFullcourt 3-tegen-3: neem de dichtstbijzijnde
Doorlopend spel, omschakelen, terugrennen, overtal maken en herkennenRebound, outlet, looplijnen
Een veilige eerste pass, brede looplijnen, vooruit passenDoorlopend 3-tegen-2 → 2-tegen-1
Overtal herkennen en benutten, de 2-tegen-1-regel, vertragen in ondertalInhaalrace: terugrennen en de bal stoppen
Terugrennen tot je vóór de bal bent, borst eerst, legaal contactTouchdown-spel
Looplijnen, ruimte vinden zonder bal, voor de bal uit rennen, vangen in de ren, meteen omschakelen