41 leerdoelen
Leerdoelen
Alles wat een speler hier kan leren. Eén ding per leerdoel: iets wat een speler kan leren, een coach kan aanleren en iemand kan zien.
Lichaam Bewegen, stoppen, balans, vallen, contact
Bewegen en stoppen, kop omhoog
Rennen, stoppen en draaien in balans, terwijl je ziet wat er om je heen gebeurt.Balans
Je lichaam onder controle houden, stil en in beweging, op één en twee benen.Veilig vallen
Vallen en opstaan zonder je pijn te doen: rollen, opvangen met armen en billen, niet op je handen of hoofd.Zacht landen
Altijd zacht en op twee voeten landen, knieën boven de voeten.Coördinatie
Armen, benen, ogen en bal samen laten werken: huppelen, gooien, vangen, ritme.Goede stop
Bij elke vangbal en elke afronding een hop stop of een stride stop. Altijd.Pivoteren
Draaien op één voet met de bal, om ruimte te maken of een pass te vinden.Fake en eerste stap
Uit een goede stop een fake maken en met één stap voorbij je verdediger.Legaal contact
Contact maken, vasthouden en loslaten wanneer je wilt, binnen de regels, aan beide kanten van de bal.Verdedigende houding en slide
Laag staan, borst voor de tegenstander, schuiven zonder de voeten te kruisen, en rennen als het moet.Altijd terugrennen
Bij balverlies rent iedereen meteen terug, helemaal, tot je voor de bal bent.De bal stoppen met de borst
De dribbelaar in de omschakeling stoppen door met je borst voor hem te komen, niet door van achter te reiken.Uitboxen
Je tegenstander vinden, contact maken en hem achter je houden voor de rebound.
Bal Vangen, passen, dribbelen, afronden, schieten
Vangen
De bal onder controle krijgen, klaar voor de volgende actie.Passen
De bal bij een medespeler krijgen, op het goede moment, langs een verdediger.Dribbelen
Met de bal bewegen, met beide handen, met een doel: naar de ring, weg van druk, naar een beter passhoek.Kop omhoog
Tijdens het dribbelen kijk je het veld in, niet naar de bal. Altijd.De bal beschermen
Je lichaam tussen bal en verdediger houden, met dribbel, pivot en arm.Lay-up en afronden
Dicht bij de ring scoren, uit een dribbel of vangbal, met beide handen en verschillende passen.Schieten
Uit een vangbal in balans, met kracht uit de benen, een lange vloeiende release.Vrije worp
Elke keer hetzelfde ritueel en dezelfde beweging, zonder tegenstander.Rebounden
Inschatten waar de bal valt, er eerst zijn en hem met twee handen pakken.
Spel Zien en kiezen: ruimte, tijd, voordeel
Vrije ruimte vinden
Weggaan van de drukte naar een plek waar je de bal kunt krijgen.Goede spacing
Het veld breed houden, niet bij elkaar kruipen, de hoeken vullen. Altijd.Geen beweging tijdens een drive
Als een medespeler drijft, blijven de anderen op hun plek en klaar om te vangen. Altijd, in laag 1.Vrij worden zonder bal
Na je pass blijven bewegen, cutten en loskomen van je verdediger.Voordeel maken, zien en afstraffen
Een overtal of een stap voorsprong maken, het herkennen en er meteen gebruik van maken.2-tegen-1: ga, de verdediger beslist
Heb je de bal in een 2-tegen-1, dan ga je naar de basket. Wat de verdediger doet, beslist lay-up of pass.Eerst de drive
Naar de basket gaan en ruimte maken voor een goed schot is niet egoïstisch. Zonder reden meteen afspelen is dat wel.Goed schot
Een goed schot is in balans, binnen je range, niet betwist, na een goede pass of een drive met een klein voordeel.Looplijnen en hoeken in de omschakeling
Na balverovering breed naar voren rennen, de hoeken vullen, en de bal snel naar voren.Kijk voor je vangt
Voor de bal komt even rondkijken: waar is mijn verdediger, de ring, de open man.Bal–jij–basket
Sta tussen je speler en de basket, en zie de bal en je speler tegelijk.
Hoofd Aandacht, durf, doorgaan, zelf kiezen
Doorgaan na een misser
Na een misser of balverlies meteen de volgende actie: terugrennen, verdedigen, opnieuw proberen.Durven: positieve agressie
Naar de ring willen, contact aangaan, voor de bal vechten, fel maar veilig voor anderen.Aandacht bij de opdracht
Luisteren, onthouden wat de opdracht is en ermee bezig blijven tot het eind van de oefening.Zelf kiezen en uitleggen
Een keuze maken in het spel en kunnen zeggen wat je zag en waarom.Vragen: hoe kan ik dit?
Uit zichzelf vragen hoe iets beter kan, in plaats van zeggen dat je het al kunt.